Geen nummers maar Namen

Tussen 1933 en 1945 hebben meer dan 200.000 mensen in concentratiekamp Dachau gevangengezeten. Bij binnenkomst kregen zij een nummer; hun naam deed er niet langer toe. Onder de noemer Namen statt Nummern (Geen nummers maar Namen) schrijven scholieren, familieleden en andere geïnteresseerden sinds 1999 biografieën over hen. Sinds 2010 doen ook Nederlandse scholieren mee. De biografie die zij schrijven is het profielwerkstuk waarmee zij hun havo- of vwo-diploma halen. Ieder jaar op 22 maart – de datum waarop in 1933 de eerste gevangenen in Dachau aankwamen – reizen zij met nieuwe biografieën naar Dachau. Oud-gevangenen en familieleden reizen mee. Met de oud-gevangenen of hun direct-nabestaanden ondertekenen de scholieren de biografieën, waarna deze worden opgenomen in het Herinneringsboek in de Verzoeningskerk op de gedenkplaats Dachau. Zo tillen de jongeren telkens één gevangene uit de anonieme massa en geven hem zijn naam terug.


Gijs Berendse presenteert in Dachaubde biografie van Jan van Kuik.

Foto: Gerhard Roeder

 

Lieke Beemster en Ledmia Baghdadi met hun biografie van Pim Reijntjes.

Foto: Piet Hermans Photography

 

Oud-Dachauer Pim Reijntjes bladert in het Herinneringsboek in Dachau.

Foto: Jos Sinnema

 

Vlak voor de presentatie in Dachau bekijken Ylva Sluiter en Jaap van Mesdag zijn biografie.

Foto: Jos Sinnema

Gedegen aanpak

Voor de jongeren is het schrijven van de biografie van een oud-gevangene een proces waar zij negen maanden intensief mee bezig zijn. Voor het interview met de oud-gevangene of zijn nabestaanden krijgen zij een gastles Dachau en een interviewtraining en doen zij archiefonderzoek. Ook bezoeken zij de plaatsen die in het leven van ‘hun’ oud-Dachauer belangrijk zijn geweest. Omdat de gang door de kampen voor de meeste Nederlanders in kamp Vught of kamp Amersfoort begon, is een excursie naar deze plaatsen standaard. Jongeren die schrijven over Nacht und Nebel-gevangenen die na de ontruiming van Natzweiler in de Franse Elzas in het najaar van 1944 Dachau terechtkwamen, gaan in september mee met de jaarlijkse herdenkingsreis naar dit voormalige kamp. Voor de meeste scholieren is dit de eerste keer dat zij een herdenkingsreis meemaken.

Ylva Sluiter schreef hierover:

De avond voor we zouden vertrekken was ik erg zenuwachtig. Vooral de vraag wat er in mijn tas moest hield mij erg bezig, want ik had geen flauw idee wat ik aan zou moeten trekken als je een oud concentratiekamp bezoekt.
Het interview dat de jongeren hierna met de oud-gevangene of de nabestaanden hebben, maakt vaak diepe indruk. Het interview dat Valerie van Reeuwijk en Thijs de Dood met oud-Dachauer Dingenis Sinke hadden, duurde tweeëneenhalf uur. Dingenis had zijn leven lang over zijn verzets- en kampverleden gezwegen. Ook met zijn kinderen had hij hier nog nooit over gesproken.

Valerie:

Het was vreemd om afscheid te nemen, aangezien we net zijn hele levensverhaal hadden aangehoord. We denken wel dat hij een goed gevoel had over het interview, omdat hij zijn oorlogstijd wilde afsluiten door zijn verhaal voor de eerste keer te delen. Dat was voor ons ook heel bijzonder.

Om de facetten van het levensverhaal nog beter te begrijpen, doen de jongeren archiefonderzoek. Gijs Berendse, die over Jan van Kuik schreef, vond het aanschrijven van archieven maar een onnodige bezigheid. “Journalisten hadden vrijwel het hele verhaal al een keer gereconstrueerd en op schrift gesteld, dus waarom gebruiken we dat niet gewoon als bron? En als we een onderdeel missen, dan nemen we toch gewoon even contact op met Jan om het hem te vragen? Archieven brachten naar mijn mening weinig nieuws. Mijn mening veranderde toen er nieuwe documenten opdoken in een archief in Oostenrijk. Dat leverde veel nieuwe informatie over zijn arrestatie op. Het volgende citaat komt uit een brief die Jan naar zijn moeder schreef vanuit de gevangenis:

Ik denk moeder dat we een half jaar krijgen, over een maand of vier gaan we voor het gerecht […] Schrijven jullie snel? Ik heb dat enigste [sic!] nodig om door de tijd heen te komen.

Deze brief is nooit gepost door de Duitse autoriteiten. Ik kon lezen hoe hij zich op dat moment voelde. Ook kon ik na ruim 70 jaar een kopie van die brief aan Jan en zijn familie geven. Dit gaf voor mij de doorslag. Archiefwerk is wel degelijk van belang. Voor mij is dit duidelijk een leermoment geweest.”