De herdenkingsrede van Hinke Piersma, historicus en onderzoeker bij het Nederlands Instituut voor Oorlogsdocumentatie; schrijfster van het boek ‘Doodstraf op termijn”, Nederlandse Nacht und Nebel- gevangenen in kamp Natzweiler.

 

DACHAU-HERDENKING

 

21 april 2007

 

‘Toen keken we uit het raam en daar zagen we onze eerste Amerikaan langs het hek lopen. Nou toen wisten we dat het echt was.  We vonden onszelf terug huilend in elkaars armen…. en zoenend. Waarom ik in godsnaam die pastoor moest zoenen en hij mij dat weet ik niet, maar het was zo’n opluchting na vier jaar gevangenschap. Je was helemaal door het dolle heen.’  Dit vertelde Frans de Bordes in 2002  over zijn bevrijding in Dachau.

 

Wie Dachau zegt, zegt mannen, schreef Jolande Withuis in haar boek Na het kamp ondanks het feit dat er in Dachau ook vrouwen zaten. Grote mannen, bekende mannen, arme mannen, rijke mannen, en deze mannen hadden mannenvriendschappen.

 

Opvallend is echter dat het vriendschappen waren die het traditioneel mannelijke doorbraken. In het midden van de vorige eeuw zoenden en huilden mannen niet, waren zuinig met het tonen van gevoelens en lieten het huishouden over aan hun vrouw. Maar in het kamp zoende en huilde De Bordes wel, naaide Sam Hingst polsmofjes voor Floris Bakels bevroren handen en bracht Con Broers diezelfde Bakels een pan macaroni en aaide hem bemoedigend over zijn stoppelbaard. Zei Piet Bouwense, weliswaar in ruige kamptaal,  ‘eten of ik knijp je strot dicht’, maar hoogstwaarschijnlijk enkel om te verhullen hoe groot zijn zorg was voor een vriend die het dreigde op te geven. En toen Carel Steensma bibberend van de kou op de vuile appelplaats van Dachau lag, gaf Godert van Dedem hem zijn warme jas met de woorden ‘ik ben alleen, jij bent nodig voor je vrouw en jongens’.

 

Mannenvriendschappen, kampvriendschappen, vanzelfsprekend waren ze niet, want zo schreef Don Bamberg in zijn herinneringen: ‘Het ging er in de eerste plaats om zelf te overleven. Ieder moest elke dag opnieuw kou, honger, ontbering en mishandeling gedurende de lange werkdagen trotseren. Een ander kon dan niet helpen.’ Dat leidde er ook toe dat je, zoals Hans Teengs Gerritsen beschreef, soms machteloos moest toekijken hoe een medegevangen werd afgeranseld, een herinnering die hem nooit meer heeft losgelaten.

 

En dan waren er nog de sociale, politieke en leeftijdsverschillen. De zeer correcte en formele generaal Van de Kasteele van ruim zestig jaar, die in Dachau aan vlektyfus zou sterven, kon het niet waarderen toen in Natzweiler zijn klompen na het douchen door een snotjongen als Ernst Sillem waren ingepikt. Van de Kasteele was ontdaan van dit in zijn ogen respectloze gedrag en nam de later door Sillem aangeboden excuses met militaire norsheid in ontvangst.

 

Ze waren dus niet vanzelfsprekend, de mannenvriendschappen in het kamp. Daarom oogsten ze ook nu, tweeënzestig jaar na de bevrijding van Dachau, bewondering. Vanwege de liefde die eruit spreekt en vanwege de uitzonderlijkheid om in een wereld waarin een mensenleven niets meer voorstelt er voor elkaar te zijn.

 

Dat begreep ook mevrouw Verberne toen ze in 1984 samen met haar man Anton voor het eerst naar een herdenking in kamp Natzweiler ging. De meeste gevangenen van dit Nacht und Nebel kamp zouden in september 1944 naar Dachau worden geëvacueerd. Mevrouw Verberne vertelde hoe ze door de poort gingen en hoe haar man werd omringd door kampgenoten. ‘Ik vond,zo zegt ze ‘dat ik naast hem moest lopen en drong me tussen hen in. Bij het crematorium aangekomen stortte Anton in. Het was toen dat ik zag dat ik hem niet kon geven wat zijn makkers hem wel konden geven. Zíj vingen hem op en troostten hem.’

 

Helaas wordt het groepje van oud-gevangenen om dit bijzondere aspect van het kamp te herdenken steeds kleiner. Gelukkig is er inmiddels veel gedocumenteerd. Het is aan de volgende generaties om daaruit te putten en de bijzondere mannen én hun vriendschappen levend te houden. Nog eenmaal De Bordes: ‘Ook al heb je elkaar niets meer te vertellen, het is gewoon dat gevoel dat je samen in de ellende hebt gezeten. Je ontmoet elkaar en ook al zeg je niets, je valt elkaar in de armen en je bent ontzettend blij om elkaar te zien. Je was er om te proberen er met elkaar door te komen.’

 

Pim Boellaard zei het in 1946 zo: Vrienden uit Dachau. Wij buigen ons in diepe eerbied voor hen die vielen voor hun Koningin, hun Vaderland en hun ideaal. De herinnering aan deze strijders legt ons de plicht op hun werk voort te zetten, alle krachten te geven voor de opbouw van ons zwaar getroffen dierbaar Vaderland. Indien wij de geest van saamhorigheid, die in de ontberingen van de kampen tussen verschillende rangen en standen is ontstaan, thans kunnen uitdragen, indien wij ernstig streven naar een wederzijds begrip voor sociale rechtvaardigheid en godsdienstige overtuiging, dan, maar alleen ook dan is  hun offer niet tevergeefs geweest. Een in zichzelf verdeeld Nederland kan zijn doden niet eren, zij verlangen van ons een brede blik en een taaie energie om hiermee te herstellen wat door de vijand vernield werd.’

 

En die taaie energie was nodig, want Nederland raakte wel verdeeld toen de Koude Oorlog zijn intrede deed.  Het in stand houden van de vriendschappen was, in de woorden van Withuis, dan ook het resultaat van een weloverwogen inspanning.

 

Hinke Piersma

(2007)