Lees hieronder de speech van Maurits van Hoogevest, bestuurslid van het Nederlands Dachau Comité, zoals hij deze voordroeg tijdens de Dachauherdenking 2021.

 

Ik ben de kleinzoon van Jopie Helms Fokkema. Vandaag mag ik hier zijn met mij oom Jan Willem en mijn zoon Olivier. 3 generaties nageslacht van mijn oma. Ik vind het daarbij mooi om te beleven, dat oma vandaag ook bij ons is. Niet fysiek, wel vanuit de hemel waar zij tijdens haar leven zo in geloofde.

 

De eerste keer dat ik hier bij het monument in het Amsterdamse bos stond herinner ik mij levendig, het was 16 december 1996. De inauguratie van het monument met prins Bernard. Een indrukwekkende bijeenkomst, die veel in beweging heeft gebracht in de relatie tussen mij en mijn oma.

 

Zoals veel mensen die de oorlog hebben meegemaakt en ondervonden, heeft mijn oma pas op late leeftijd de ruimte gevonden om hierover te praten. Ik ben blij dat ik dat met haar heb kunnen delen, wat bijzonder, en ook bijzonder herkenbaar is. Met haar eigen kinderen heeft ze daar minder over gesproken.

 

De opvolgende jaren vergezelde ik mijn oma naar de jaarlijkse herdenking. Het jaar na de inauguratie, ik was toen 17 jaar, herinner ik mij ook nog goed. Na de herdenking werd een lunch aangeboden op het kantoor van KLM. Tijdens die lunch kwam ik te zitten naast een oudere man. Toen ik hem de hand schudde om mij voor te stellen kreeg ik een opmerking die me nog steeds een ongemakkelijk gevoel kan geven. U moet zich voorstellen dat ik mij, in mijn beleving, op mijn paasbest gekleed had en mijn mooiste overhemd had aangetrokken. Een overhemd met brede strepen.

 

Bijna snauwend antwoorde de man; “Nou, een mooi overhemd heb jij aan, zulke strepen moesten wij ook aan van de moffen. Had je niet wat anders kunnen uitzoeken?”.

 

Dat maakte indruk, kan ik u verzekeren.

 

Was dit nu een onbehouwen opmerking van die meneer naar een jongeman? Was het naïef van mij? Of zat het gewoon zo diep en deed deze deja vu nog zoveel met die meneer?

De oorlog zat hem diep, zo ook bij mij oma.

 

Mijn oma was in de oorlog koerierster voor het verzet. Dat vond ze vanzelfsprekend, er zijn voor je medemens en opstaan tegen onrecht. Daarvoor is een hoge prijs betaald, in onze familie niet alleen door mijn oma. Tot haar grote verdriet betaalde haar broer Bert uiteindelijk de hoogste prijs.

 

Vanuit het verraad van koerierster des doods, Miep van Oranje – verantwoordelijk voor ongeveer 195 arrestaties van verzetsmensen – doen de bezetters op 8 augustus 1944 een inval in het ouderlijk huis van mijn oma in Delft. Op zoek naar haar en het depot van de bonnenkaarten van de landelijke Organisatie voor Hulp aan Onderduikers. Welke zij onder zich had.

 

Ze treffen daar niet alleen oma, maar ook haar broer. De ondergedoken predikant Bert Fokkema, die net 6 weken vader was geworden, en toevallig die nacht weer een keer thuis bij zijn ouders sliep. Via verschillende kampen komt Bert in Bergen Belsen terecht. In dat kamp maakt hij de bevrijding nog mee. Verdrietig genoeg, komt dit te laat. Verzwakt als hij is, overlijd Bert op 29 april 1945 aan de ontberingen.

 

Dit is voor mijn oma altijd de grootste pijn geweest. Zij was verraden, haar broer namen ze ook mee. Zij kwam terug. Hij niet.

 

In het monument hier achter mij, staan de namen van 500 concentratiekampen en buitenkampen gebeiteld. Waaronder ook Bergen-Belsen. Het is deze plek in het monument waar mijn oma tijdens het defilé door het monument jaarlijks een bloem in de taxushaag stak. Ook vandaag is dat plek waar ik een bloem in de haag zal steken.

 

Mijn oma kwam via Vugt en Ravensbruck terecht in een buitenkamp van Dachau, de fabriek van de Agfa Kamerawerke in Munchen. Waar ze met zo’n 250 lotgenoten tijdsontstekers moest maken voor granaten. De groep saboteert daar de productie zoveel mogelijk.

 

Na de bevrijding komt oma via Zwitserland, Frankrijk en België thuis in een land, tegelijkertijd in euforie, en in ontreddering. Er volgde nog een beproeving. De wederopbouw. Mijn oma trouwt met haar liefde, opa Willem. En mijn grootouders hebben in de jaren daaropvolgend gelukkig ook goede tijden mogen kennen.

 

Tijden waarin het voor veel oorlogsslachtoffers altijd belangrijk is gebleven om wel te delen, wat goed ging. En dat, wat daar minder bij paste, zoals oorlogsverdriet, voor zich te houden.

 

Ik kan mijn oma nog helder voor me zien. In gebukte houding het onkruid tussen de tegels in de voortuin vandaan halend. Het diende opgeruimd en netjes te zijn, wat zouden de buren anders wel niet denken. Achter opgeruimd en netjes, lag echter altijd nog onderhuids verscholen, de pijn van het oorlogsverdriet en een deels onvoltooid proces van rouw en verwerking.

 

Wij naderen in dit dus eigenlijk, collectieve proces, een moment dat ooggetuigen van deze oorlog niet meer onder ons zullen zijn. Terwijl hun verdriet, nu veelal in andere gedaanten, in stukjes doorgesijpeld naar volgende generaties, nog steeds deels onderhuids verscholen blijft. De oorlog zit daarmee ook nog een beetje in ons dus.

 

Het lijkt mij vanuit die beredenering een mooie visualisatie om de toekomst van herdenken samen zo vorm te geven dat we dit een plek kunnen geven. Bijvoorbeeld door vanuit “Her-Denken”, langzaam en bewust te bewegen naar “Her-Inneren”. Denken doen we immers vanuit ons hoofd, en “Inneren” vanuit ons hart.

 

Liefdevol blijven. En stilstaan bij wat individualisering, ongelijkheid, armoede en polarisatie ons brengen. Hoe ging Duitsland ook alweer van een democratie naar een dictatuur? Blijft altijd een relevante vraag.

 

 

Kunnen wij dat blijven zien, zonder de pijn, door te gaan Her-Inneren? En zijn wij zo samen in staat, om het verdriet te beleven, te laten zijn, en te laten gaan. Om daarvoor in de plaats vanuit bewustzijn en compassie, dankbaarheid te ervaren dat wij hier vrede hebben?

 

Ik draag daar in elk geval graag aan bij, door af te sluiten met de woorden.

 

Lieve oma, ik stel mij voor dat met het delen van dit verhaal hier vandaag, er weer meer ruimte ontstaat voor het verdriet, de angst en de last, die de oorlog u en ons heeft aangedaan.